4e Nationale symposium GeriOnNe: ‘Behandeling van ouderen is een kunst'
26-11-2009
EDE - De behandeling en begeleiding van ouderen met kanker kan beter. De vraag hoe dit moet gebeuren, is nog steeds lastig te beantwoorden. Dat bleek tijdens het drukbezochte 4e nationaal symposium ‘Kanker bij ouderen' dat op 11 november in Ede o.l.v. Prof. Dr. H.C. Schouten en Prof. Dr. J.W.R. Nortier werd gehouden. Ouderen reageren vaak anders op een behandeling dan jongere patiënten. Ergo: één op vier ouderen wil iets anders dan wat de arts in gedachten heeft. "Behandelen van ouderen is een kunst." Een verslag over het nut van geriatrisch assessment.
U kunt gebruik maken van onderstaande index om door de verslagen te navigeren:
4e Nationale symposium GeriOnNe: ‘Behandeling van ouderen is een kunst'
GeriOnNe: Niet alleen de boodschap, ook rol zorgverlener cruciaal bij communicatie
GeriOnNe: Rol en effecten van chemotherapie, cholesterolverlagers en chirurgie
Workshop 1: ‘Oma's carcinoom: hoe ver moet je gaan?'
Workshop 2: ‘Ouderen profiteren onvoldoende van betere behandeling'
Workshop 3: ‘Dilemma's bij ouderen met urogenitaal carcinoom'
Workshop 4: vinden juiste balans bij behandeling NHL bij ouderen
Door Jan van Hoof
Ruim 150 medisch specialisten, geriaters, verpleegkundigen en andere zorgprofessionals waren naar Ede afgereisd om het 4e nationaal symposium ‘Kanker bij ouderen' bij te wonen. Prof. dr. H.C. Schouten opende de bijeenkomst met een korte impressie van de werkzaamheden van GeriOnNe. Binnen deze stichting zijn drie werkgroepen actief. De Werkgroep Onderzoek houdt zich bezig met onderzoek, (inter)nationale uitwisseling en onderzoeksprojecten naar zorgverbetering. De Werkgroep Zorg richt zich vooral op de implementatie van screening, diagnostiek, behandeling en nazorg en het volgen van nieuwe ontwikkelingen binnen de geriatrische oncologie. De Werkgroep Onderwijs tenslotte is primair belast met het organiseren van congressen en na- en bijscholingscursussen. Het stichtingsbestuur van GeriOnNe bestaat uit (para)medische professionals.
Geriatrische oncologie
Dr. M.S. Aapro (Clinique de Genolier, Zwitserland) ging in zijn presentatie in op de implementatie van geriatrische oncologie in de dagelijkse ziekenhuispraktijk. Bij het behandelen van ouderen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen adjuvante behandeling en behandeling van metastasen. Hij pleitte daarom voor het afnemen van een geriatrisch assessement. "Met name bij oudere patiënten is een geriatrisch assessement cruciaal. We kunnen de principes die we hanteren bij de behandeling van jonge patiënten simpelweg niet toepassen op oudere patiënten", aldus Aapro. Eigenlijk zou bij alle oncologische patiënten een assessment afgenomen moeten worden, maar dat is in de praktijk lastig te realiseren.
Onder het motto ‘assess first, than threat' stelde hij voor oudere patiënten na een assessment onder te verdelen in mensen met een goede conditie die in principe in aanmerking komen voor een ‘standaard' behandeling en twee kwetsbare groepen waarbij geriatrische interventie gewenst of noodzakelijk is. Bij de eerste groep (vulnerable patients) kan na interventie alsnog de standaardbehandeling worden aangeboden. Bij de tweede groep (frailty patients) is na interventie een aangepaste behandeling of palliatieve therapie nodig, omdat deze patiënten eenvoudigweg te ziek of te zwak zijn.
Geriatric Assessment
Een nuttig instrument voor het vaststellen van de gezondheidstoestand van oudere patiënten is het Comprehensive Geriatric Assessment (CGA). Het wordt aanbevolen door de International Society of Geriatric Oncology (SIOG). Uit studies blijkt dat de CGA het sterftecijfer onder ouderen met circa veertien procent kan verlagen. Volgens Aapro is het CGA echter een complex instrument dat vereenvoudigd dient te worden. Er lopen inmiddels studies onder diverse groepen patiënten om dat te bewerkstelligen.
Een patiënt die als ‘fit' te boek staat, kan tijdens een behandeling toch te maken krijgen met onverwachte complicaties. Daarom is het volgens dr. Aapro essentieel om naast het CGA ook te kijken naar andere aspecten die een rol kunnen spelen bij de behandeling van ouderen, zoals uitslagen van klinisch onderzoek, gebruik van andere medicijnen, bijkomende ziekten, ouderdomsziekten, metabolisme, orgaanfuncties, enzovoort.
Andere instrumenten
Hij liet kort ook een aantal andere instrumenten de revue passeren, waaronder de SAOP 2 Screening Questionnaire, VES-13, de G8 ONCODAGE van Pierre Soubeyran en de Groningen Frailty Indicator (GFI). "Elk van deze instrumenten kan een bijdrage leveren aan een betere behandeling, maar de uitslag heeft geen voorspellende waarde ten aanzien van het verdragen of de toxiciteit van chirurgie, radio- of chemotherapie. Het doel is uitsluitend een zo objectief mogelijk beeld te schetsen van de prognose en interventiemogelijkheden te onderkennen om de prognose te verbeteren."
Daarnaast is aanvullend onderzoeken nodig naar de invloed van lichaamsfuncties, voedingstatus en interactie van medicijnen. Met name de rol van de ondervoeding is volgens Aapro een belangrijk punt. Ook is er meer aandacht nodig voor depressieve gevoelens onder ouderen, een aspect dat onvoldoende wordt onderkend en daardoor ook niet adequaat wordt behandeld.
Bij de palliatieve behandeling van oudere patiënten met uitgezaaide tumoren dient meer aandacht te komen voor het behoud van hun onafhankelijkheid. Dat betekent dat bijvoorbeeld bij chemo- of radiotherapie goed gekeken moet worden naar de impact van deze behandelingen op het praktisch functioneren van de patiënt. Veel voorkomende klachten als dikke handen en voeten kunnen mensen compleet afhankelijk en immobiel maken. "Daar wordt veel te weinig naar gekeken. Behandelen van ouderen is een ‘kunst' waar nog weinig over bekend is", aldus dr. Aapro.
Voorspellende waarde
Drs. A. Aaldriks (psychiater, GGZ Delftland, Delft) presenteerde de resultaten van een studie naar de voorspellende waarde van het geriatrisch assessment bij patiënten ouder dan 70 jaar die behandeld werden met chemotherapie. Doel van de studie was het voorspellen van de tolerantie en de uitkomst van chemotherapie en het verwerven van inzicht in de toegevoegde waarde van geriatrisch assessment bij ouderen. Aan het onderzoek deden 335 mensen mee van 70 jaar of ouder met uiteenlopende tumoren (slokdarm/maag, colon/rectum, mamma, hemato, overig).
Voor het assessment maakten de onderzoekers gebruik van de MNA (Mini Nutritional Assessment), IQ-CODE (Informant Questionnaire on Cognitive Decline in the Elderly), MMSE (Mini Mental State Examination) en de GFI (Groningen Frailty Index). Uit dit onderzoek komt naar voren dat een lage MNA-score geassocieerd wordt met kans op overlijden binnen 3 en 6 maanden. Bij een hoge GFI-score ligt de kans op overlijden binnen 3 en 6 maanden. Een slechtere score van de MNA en GFI duidt erop dat de kans groot is dat de patiënt de chemotherapie niet zal afronden. Verder treedt er volgens Aaldrik een verslechtering op van de MMSE en GFI (voor de fysieke items) na afloop van of tijdens chemotherapie.
Klik hier om de presentaties van dit symposium te bekijken.
